News blog

Auteurscontractenrecht: wanneer eigenlijk aan de orde?

Date: 
12.08.16

Over het inmiddels niet meer zo nieuwe auteurscontractenrecht is al veel geschreven, met name over de inhoud van de nieuwe regels. Maar wanneer gelden ze nu eigenlijk precies? En wanneer hoef je er geen rekening mee te houden?

 

Inhoud in het kort

Voor wie het heeft gemist: per 1 juli 2015 is de Wet auteurscontractenrecht ingegaan. Deze wet heeft als belangrijkste doel om makers van auteursrechtelijke werken beter te beschermen, met name ten opzichte van exploitanten. De hoofdpunten uit de wet zijn:

  • invoering van het schriftelijkheidsvereiste voor exclusieve licenties
  • het recht op een billijke vergoeding voor verlening van exploitatierechten
  • het recht op een aanvullende billijke vergoeding bij (i) onvoorziene exploitatiemogelijkheden of (ii) bestseller
  • het recht om een exploitatieovereenkomst bij onvoldoende exploitatie geheel of gedeeltelijk te ontbinden
  • de mogelijkheid om onredelijk bezwarende bedingen te vernietigen

 

Wanneer van toepassing?

M.u.v. van het schriftelijkheidsverieste voor exclusieve licenties (dat altijd geldt), is de wet van toepassing op de 'overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheid ten aanzien van het auteursrecht van de maker aan een wederpartij tot hoofddoel heeft'.  Wat betekent dat?

  • Natuurlijke maker. Om te beginnen geldt het auteurscontractenrecht (acr) alleen voor natuurlijke makers. De gedachte is dat van fictieve makers (werkgever, vennootschap) een hogere mate van professionaliteit mag worden verwacht. Wel kan zogenoemde reflexwerking van het acr uitgaan wanneer de fictieve maker in economische zin gelijk kan worden gesteld aan een natuurlijke persoon. Zo kan de eenmanszaak alsnog van het acr profiteren.
  • Exploitatieovereenkomst. Daarnaast is het acr alleen van toepassing op de zgn. exploitatieovereenkomst. Dit is de contractuele relatie tussen de maker en de exploitant die als intermediair fungeert bij het voor het publiek op de markt brengen van diens werken. Denk aan de uitgave van literaire en muzikale werken. Het maakt daarbij niet uit of de exploitatiebevoegdheid door overdracht of licentie is verkregen.

 

Wanneer niet?

  • Eindgebruiker/opdrachtgever. Het acr is niet van toepassing op licenties of overdrachten aan de eindgebruiker (bedrijf of consument), waarbij diens gebruik het primaire doel is. Een voorbeeld is het gebruik door de opdrachtgever, zoals bij werken van architectuur, logo's, huisstijlen, websites, op maat gemaakte software, reclamefilms, jingles en tunes. Hiervan is ook sprake als bijv. een freelance maker van artwork zijn rechten overdraagt/in licentie geeft aan een reclamebureau, dat op zijn beurt deze rechten overdraagt of licentieert aan de opdrachtgever. Hoewel het reclamebureau hierbij als exploitant fungeert, blijft het werk primair bedoeld voor gebruik door de opdrachtgever. Er is hier dus geen sprake van een exploitatieovereenkomst waarop het acr van toepassing is (m.u.v. de vernietigingsgrond bij onredelijk bezwarende bedingen, zie hierna).
  • Tekeningen, modellen. Ook geldt het acr niet bij samenloop van het auteursrecht en het tekeningen- en modellenrecht doordat de maker een derde toestemming heeft gegeven om zijn werk als tekening/model te deponeren. Dit is aan de orde bij werken die het uiterlijk van een voortbrengsel of deel daarvan vormen (denk aan industrieel ontwerp).

 

Conclusie

Conclusie is o.a. dat reclamebureaus en andere ontwerpbureaus en diens opdrachtgevers in principe niet met het acr te maken hebben. Anders dan onder het acr kunnen toekomstige exploitatiewijzen door deze ontwerpbureaus of hun freelancers dus wél bij voorbaat worden overgedragen. Wel geldt dat partijen dit over en weer redelijkerwijs hadden moeten begrijpen (oude Haviltexmaatstaf). Ook moet in het oog worden gehouden dat de freelance maker die - al dan niet met tussenkomst van een bureau - voor een opdrachtgever ontwerpt, een onredelijk bezwarende beding dat hij met de intermediair of opdrachtgever sluit wel kan vernietigen. Dit is een 'beding dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen of de overige omstandigheden van het geval, voor de maker onredelijk bezwarend is'. Wat dit precies inhoudt zal uit de rechtspraak moeten blijken. Uit de toelichting op de wet blijkt dat in ieder geval gedacht moet worden aan bedingen waarbij royalties worden gebaseerd op bruto-bedragen waarop onbeperkt aftrekposten in mindering kunnen worden gebracht, zodat netto (vrijwel) niets aan de maker wordt uitgekeerd.

 

Door: Eva Veldhoen